De heks van de Pappotten 

Een jongeman uit Steensel was op een zekere zondag naar zijn meisje in Riethoven geweest. Nog in gedachten, omdat hij zijn liefje maar liefst een week niet meer zou zien, (in die tijd ging men door de week niet “naar de meid”, ) liep hij over de zandweg terug naar huis. Op de houten leuning van de brug op de Stevert zag hij in het licht van de volle maan opeens een zwarte kat zitten, die klaaglijk miauwde.
De jongeman, Nol genaamd, wilde de kat wegjagen maar die bleef onbeweeglijk zitten. Nol raapte een stok van de grond op en gaf de kat een zetje met de stok zodat ze van de brug in het water van de Run tuimelde. Echter nog voordat Nol verder ging, zat het beest alweer op de leuning van de brug. “Eraf ga je”, zei Nol vastberaden en duwde de kat wederom met de stok van de brug. Voor de tweede maal viel het dier in het water. Vol belangstelling stond Nol te wachten wat er zou gaan gebeuren maar ook deze keer zat de kat weer druipend van het water op zijn eerdere plaats. “We zullen nog wel eens zien wie dit ‘t langst volhoudt”, riep Nol naar de kat en hij wilde het dier voor de derde maal in het water duwen. Tot hij opeens een vrouwenstem hoorde: “Duw me er nog maar eens vanaf als je durft." De zwarte kat had gesproken en vol schrik sloeg Nol op de vlucht.
In één van de boerderijen op de Stevert zag hij nog licht branden en vluchtte daar snel naar binnen. Hortend en stotend vertelde hij zijn verhaal. Niemand durfde met hem naar de brug te gaan. Tegen helse machten zijn mensen immers machteloos. Dit moest wel een heks zijn, die de gedaante van een zwarte kat had aangenomen.
Opeens hoorden ze in de verte iemand op de zandweg aan komen lopen. Voorzichtig gluurden ze door de gordijnen naar buiten om te kijken wie dat kon zijn. Het was een jonge vrouw die voorbij liep. Ze hinkte een beetje en men zag duidelijk dat haar kleren nat waren. Wat hen nog meer verbaasde was, dat men de vrouw direct herkende. Het was namelijk de jonge vrouw die in het kleine huisje op de Pappotten woonde.


Men wist wel dat ze een beetje zonderling was, maar dit had toch niemand gedacht. Haar man was bezembinder van beroep. Hij sneed de heide af en maakte daar borstels van. In het dorp noemden ze hem daarom “Borstelbertje”. Iedere dinsdag laadde hij zijn kruiwagen vol met borstels, spande zijn trekhond ervoor en ging dan naar Eindhoven om daar zijn waar te verkopen.
Spoedig was in heel het dorp bekend wat Nol had meegemaakt. Men fluisterde in het geheim want niemand was er op gebrand om het aan de stok te krijgen met een heks. De vrouw uit de Pappotten, Keetje genaamd, ging iedere zondag trouw naar de kerk. Maar nu begon het iedereen op te vallen dat zij bij het in- en uitgaan van de kerk nooit een kruisteken met wijwater maakte. De toenmalige schoolmeester had in een oud boek gelezen dat heksen bang waren voor wijwater zoals de duivel bang is voor een kruisbeeld.
De schoolmeester nam Nol in vertrouwen en ontvouwde zijn plan. Men zou proberen de jonge vrouw van de hekserij te bevrijden en wel op een dinsdag wanneer haar man naar Eindhoven was. Zo stapten de schoolmeester en Nol op een zekere dinsdag naar het huisje van Bertje en Keetje. Via de doorgaande weg naar Eindhoven gingen ze rechtsaf de Pappotsche weg in (nu links naast het pakhuis gelegen) naar de Pappotten. Voorzichtig gingen ze naar binnen. Keetje was bezig het eten klaar te maken.
Ze knoopten een gesprek aan met Keetje over het weer en over de gebruikelijk koetjes en kalfjes. Keetje praatte zacht en verlegen en hield haar ogen neergeslagen. Het was alsof ze aanvoelde dat er iets aan de hand was. Terwijl Nol druk aan het praten was, deed de schoolmeester of hij een oud schilderijtje aan het bekijken was dat achter Keetje hing. Toen hij achter haar stond, haalde hij snel een flesje met wijwater, dat hij van de pastoor had meegekregen, uit zijn zak. Vlug goot hij het gewijde water over het hoofd van de vrouw terwijl hij prevelde: “Sane Domine” (Schenk genezing, Heer).
Als door een angel gestoken sprong de vrouw op om meteen daarna op de lemen vloer van het huisje flauw te vallen. De schrik sloeg twee bezoekers  om het hart. Het leek wel of het borstelvrouwke gestorven was. De wind ruiste zacht door de bomen van de Pappotten, terwijl Keetje daar lag. Ze was zo bleek als een dode. Voorzichtig voelde de schoolmeester aan de pols van Keetje en gelukkig bleek deze nog te kloppen. Een zucht van verlichting ging door de kamer. Langzaam maar zeker kwam er ook meer kleur op het gezicht van de vrouw en begon ze voorzichtig te bewegen. Haar ogen gingen open en beide mannen hielpen haar overeind zodat ze in een stoel kon gaan zitten. Vol blijdschap zagen de mannen dat er een flauwe glimlach verscheen op het gezicht van de vrouw.
“Ik dank jullie beiden hartelijk”, zei ze, “ik wist dat er eens iemand zou komen die me zou verlossen van de kwade hand. Ik wist hoe het kon gebeuren, maar ik mocht het tegen niemand zeggen want dan zou het mijn dood geworden zijn. Ga nu naar huis en vertel alstublieft aan niemand in het dorp zolang wij hier wonen, wat er is gebeurd".  Dat beloofden de beide mannen.
De volgende zondag keek Nol of hij Keetje in de kerk zag zitten. Ze was er echter niet. Toen hij 's maandags in de buurt van de Pappotten was, ging hij toch maar eens kijken. De deur van het huisje stond open maar het huisje was verder helemaal leeg. Op de grond lag in de hoek een stukje papier waarop geschreven stond: “We zijn vertrokken naar het zonnige zuiden, het geluk tegemoet."
Nooit zag iemand nog een zwarte kat zitten op de leuning van de brug op de Stevert. Maar op de Pappotten horen ze nog regelmatig katten miauwen. Zeker met volle maan lijken deze op zoek te zijn naar iets bijzonders. Doelloos lopen ze rond op de plek waar eens het huisje op de Pappotten stond. Ze lijken te wachten op de zwarte kat die plotseling uit hun midden verdween.
Origineel: Mister Frans van Nunen, Pierlala 18
.